Wie en wat zijn de huurdersbonden?

1. Van vroeger tot nu

De ontstaansgeschiedenis: de jaren zeventig

De huurdersbonden in Vlaanderen zijn vanuit twee verschillende bewegingen gegroeid: enerzijds vanuit de wetswinkelbeweging en anderzijds vanuit de sociale huurcomités.  

De wetswinkels

In het begin van de jaren zeventig werden in navolging van buitenlandse voorbeelden (Nederland, Frankrijk, Groot-Brittannië) in diverse Belgische steden wetswinkels opgericht door progressieve studenten, hierin gesteund door enkele kritische professoren en advocaten. Deze wetswinkels verstrekten rond een aantal deelthema's zoals huur, echtscheiding, betaalmoeilijkheden, sociaal recht, klachten in verband met de advocatuur en gerechtelijke diensten enzoverder, gratis informatie en juridisch advies. Ze richtten zich voornamelijk tot die mensen die zich in een sociaal-economisch afhankelijke positie bevonden (huurders, consumenten, werklozen...) en voor wie de stap naar een advocaat te duur was of een te grote drempel vormde. Daarom opereerden ze vooral in de volkse buurten.

Bij de traditionele rechtshulpverleners (advocaat, notaris) konden de gewone mensen te weinig terecht rond juridische aangelegenheden, waarmee zij nochtans veelvuldig in aanraking kwamen. Denken we hier maar aan de sociale zekerheidsrechten (recht op kinderbijslag, bestaansminimum, werkloosheidsvergoeding), betaalmoeilijkheden, consumentenrecht, huurrecht enzovoort. Met hun juridisch advies wilden de wetswinkels aantonen dat ons rechtsbedelingssysteem niet voor iedereen toegankelijk was. Zowel de structuur en de organisatie van de rechtshulp als die van de rechtspraak was niet afgestemd op de noden van de gewone, minder kapitaalkrachtige burger. Vrouwe Justitia bleek inderdaad blind voor de ongelijke rechtspositie tussen de sociaal-economisch machtige en de zwakkere groepen. In de plaats van een instrument voor meer recht in de zin van rechtvaardigheid, versterkte het klassieke rechtsbedelingssysteem eerder de sociaal-economische ongelijkheid.

De wetswinkels pleitten daarom voor de uitbouw van een volwaardige en kosteloze eerstelijns-rechtshulp. Uitgangspunt was dat de eerstelijns-rechtshulp kwalitatief minstens evenwaardig moest zijn aan deze van professionele adviesverstrekkers, die veelal werk(t)en voor kapitaalkrachtigen. De advocatuur was volgens de wetswinkels te sterk procesgericht om de rol van eerstelijns-juridisch advies te kunnen vervullen. Het toenmalig pro Deosysteem was eerder een afdankertje voor de lage inkomensgroepen die zich geen advocaat konden permitteren. Bovendien waren de universitaire opleidingen tot jurist/advocaat sterker gericht op rechtsdomeinen met een grotere financiële impact, zoals het verzekerings- en vennootschapsrecht. Ten slotte stelden de wetswinkels dat de advocatuur te duur was voor de gewone mens die zich omtrent zijn rechten wilde informeren en klaagde zij ook het soms corporatistisch karakter van de advocatuur aan.

Stilaan groeide echter het inzicht bij de wetswinkeliers dat de ongelijke rechten niet enkel een uitvloeisel waren van het gebrekkig functionerend rechtsbedelingsapparaat, doch ook van de gebrekkige wetgeving zelf. De wetgeving beschermt de zwakkere contractpartij onvoldoende. Samen met het feit dat de huur een der voornaamste topics was waarmee het wetswinkelcliënteel bij de wetswinkel terecht kwam, leidde dit in het midden van de jaren tachtig tot de omschakeling van de belangrijkste wetswinkels tot huurdersbond.  

Sociale huurcomités

Eveneens in de jaren zeventig ontwikkelden zich in Limburg, Turnhout en Sint-Niklaas sociale huurderscomités. Deze waren gegroeid uit bestaande buurtwerkingen rond de huisvestingsproblemen van sociale huurders. Bij deze buurtwerkingen was het inzicht gegroeid dat men slechts impact kon hebben op het beleid van de sociale huisvestingsmaatschappijen als men ook de sociale huurreglementering onder de knie had. Naast het juridisch adviseren van individuele sociale huurders, voerden deze sociale huurderscomités bij wijlen ook collectieve acties omdat de problemen die sociale huurders signaleerden, meestal gemeenschappelijk waren. Dit model is het sterkst uitgebouwd door Huurderssyndicaat Limburg, dat er zelfs in geslaagd is om met een Limburgse sociale huisvestingsmaatschappij een heus afsprakenprotocol overeen te komen. Hierbij verbinden beide partners er zich toe om met behoud van hun autonomie naar overleg en dialoog in het belang van de huurders te streven. Dit afsprakenprotocol is een primeur voor Vlaanderen.

 

 

 

Geleidelijk aan bleken hoe langer hoe meer privé-huurders aan te kloppen bij deze sociale huurderscomités. 

2. De omschakeling tot huurdersbonden


Huurdersbonden zijn democratische ledenorganisaties van huurders. Door de verstrekking van juridisch huuradvies, huurinformatie, belangenbehartiging langs individuele en collectieve weg en beleidsbeïnvloeding verdedigen zij de belangen van huurders. Daarnaast leveren zij ook inspanningen om de rechtsleer en rechtspraak in huurdersvriendelijke zin te beïnvloeden.

Begin de jaren negentig hebben beide stromingen (wetswinkels en sociale huurcomités) elkaar gevonden en hebben zij hun werking steeds sterker op elkaar afgestemd, wat geresulteerd heeft in het Overleg van Vlaamse Huurdersbonden, dat er op initiatief en onder impuls van Huurdersbond Oost-Vlaanderen gekomen is. Op federaal niveau zijn de huurdersbonden vertegenwoordigd in de Bond voor het Recht op Wonen (BROW), waar ze samen met de Brusselse en Waalse huurdersorganisaties opkomen voor een betere private huurwet met een daadwerkelijke woonzekerheid tegen betaalbare en objectieve huurprijzen die in verhouding tot de kwaliteit van de woning staan.

Een laatste stap in de versterking van de Vlaamse huurderswereld was de oprichting van de vzw Vlaams Overleg Bewonersbelangen (VOB) waarin naast de huurdersbonden, ook de sociale verhuurkantoren, opbouwwerkprojecten en het welzijnswerk aangevuld met deskundigen de krachten bundelen. Het VOB is gegroeid uit enerzijds het Overleg van Vlaamse Huurdersbonden en anderzijds het Overleg Wonen en Welzijn. Bedoeling was te komen tot één representatieve structuur die van onderuit kan zorgen voor een goede dossiervorming, voor een gezamenlijke vertegenwoordiging naar de overheid en voor een steviger belangenbehartiging van de bewoners en de organisaties die opkomen voor het Recht op Wonen voor alle bewoners, en in het bijzonder voor diegenen die het moeilijk hebben op de woningmarkt.

Het Vlaams Overleg Bewonersbelangen, als gemeenschappelijke ondersteuningsstructuur van deze 'nieuwe wooninitiatieven', is er ondertussen in geslaagd om actief te wegen op het overheidsbeleid inzake wonen.

Zo heeft het samen met de Vlaamse huurdersbonden geijverd voor een wettelijke verlenging van de huurovereenkomsten (dit is de wet van 5 december 1995 geworden die bepaalde huurovereenkomsten wettelijk verlengde), een huurdersvriendelijke hervorming van de woninghuurwet (die geresulteerd heeft in de wet van 13 april 1997), de hervorming van het Vlaams woonbeleid (de Vlaamse Wooncode, het kamerdecreet), en ten slotte een nieuw sociaal huurbesluit met meer waarborgen voor een correcte toewijzing van sociale huurwoningen aan wie het echt moeilijk heeft op de huurmarkt.

Ook de inschrijving van het grondwettelijk 'recht op een behoorlijke huisvesting' en van het ruimere 'recht op wonen' in de Vlaamse Wooncode, dat het kaderdecreet van het Vlaams woonbeleid vormt, zijn er mede onder druk van de huurdersbeweging en hun actiepartners gekomen.

Een kleine historische terugblik leert ons dat tot in 1990 de private huurwetgeving in hoofdzaak gestoeld was op de juridische fictie dat verhuurder en huurder contractueel evenwaardige partijen zijn waarbij het huurcontract de uitdrukking is van 'een vrije wilsovereenstemming'. Daarom konden verhuurders tot in de jaren negentig perfect wettelijk een krot als woning verhuren. Zonder in een 'hoera-stemming' te vervallen, mogen de huurdersbonden en de nieuwe wooninitiatieven, hierin trouwens gesteund door de actie-partners van de campagne 'Sleutelen aan Wonen' van de vzw Welzijnszorg, er prat op gaan dat zij aan de basis liggen van meer woonzekerheid en wettelijke garanties inzake de minimale vereisten van bewoonbaarheid, veiligheid en gezondheid waaraan huurwoningen moeten voldoen.

Ten slotte zijn sinds 1995 de Vlaamse huurdersbonden en het VOB als hun representatieve samenwerkings- en ondersteuningsstructuur door de Vlaamse Regering, op voordracht van de toenmalige Vlaams minister van Huisvesting, Norbert De Batselier, volwaardig erkend en gesubsidieerd. Ondertussen zijn zowel de sociale verhuurkantoren als de huurdersbonden samen met het VOB als koepelorganisatie van beide werkvormen, ook bij decreet in de Vlaamse Wooncode erkend. Op 7 december 2000 deelde toenmalig minister van huisvesting, Johan Sauwens, aan de huurdersbond en het VOB mee dat de Vlaamse regering ons nog eens voor een periode van vijf jaar erkende en subsidieerde. En eind 2005 werden de huurdersbonden en het VOB opnieuw erkend door de Vlaamse Gemeenschap op besluit van Vlaams minister van Wonen, Marino Keulen, voor een periode van vijf jaar tot eind 2010. De Vlaamse huurdersbonden worden erkend en gesubsidieerd krachtens het subsidiebesluit van de Vlaamse regering van 29 september 2006, B.S.30-11-2006

Hierdoor hebben de zeven (vijf provinciale en twee regionale steunpunten) Vlaamse huurdersbonden hun werking gevoelig kunnen uitbouwen en uitbreiden. Zo verstrekken de Vlaamse huurdersbonden momenteel in 29 Vlaamse steden en gemeenten huuradvies en heeft het ledenaantal ondertussen een hoge vlucht genomen. Eind 2006 telden de Vlaamse huurdersbonden 17.228 individuele leden.

 

Ook steeds meer gemeenten, OCMW's én welzijnsorganisaties sluiten een collectief abonnement en doen ten behoeve van hun cliënten een beroep op de juridische know-how van de huurdersbonden. Eind 2006 waren er 833 collectieve leden lid van een huurdersbond. 

 

De nieuwe instrumenten die de Vlaamse Wooncode biedt aan de gemeenten, de OCMW's en andere sociale wooninitiatieven (zoals de sociale verhuurkantoren en sociale huisvestingsmaatschappijen) om het probleem van de slechte kwaliteit van huurwoningen voor het eerst in onze geschiedenis ook structureel aan te pakken, bezorgen ons nieuwe perspectieven. De huurdersbonden zullen daarom aan de kar duwen opdat ook de herhuisvestingsinstrumenten en aanmoedigingsmaatregelen voor wie moet verhuizen uit een slechte woning, worden benut. Het kan immers niet de bedoeling zijn dat met de sanering van woningen ook hun bewoners worden weggesaneerd.

Niet voor niets kiezen de huurdersbonden voor het bondmodel en de uitbouw van een ledenorganisatie. Immers, de ongelijke positie tussen de individuele verhuurder en huurder vindt ook zijn vertaling in de organisatiekracht van beide groepen. Aan verhuurderszijde worden de belangen door machtige organisaties zoals het Algemeen Eigenaarssyndicaat en de immobiliënwereld verdedigd. Daarom is het zaak dat ook de huurders zich verenigen in huurdersbonden die het voor de belangen van de huurders opnemen. De huurders zijn immers in aantal met meer dan de verhuurders. Tot onze tevredenheid stellen we vast dat ook steeds meer organisaties en belangengroepen, zoals de verbruikersorganisaties, de vakbonden, en ook de OCMW's en gemeenten die eveneens geconfronteerd worden met de woonproblemen van velen van hun inwoners, onze zijde kiezen. Dat zo'n georganiseerde belangenvereniging van huurders nodig is, hoeft nauwelijks betoog. Wonen is immers een basisbehoefte, en zonder is een menswaardig leven niet mogelijk. Dat grondrecht wordt nog te veel met de voeten getreden. Een op vijf huurders woont in een woning van slechte kwaliteit en door de hoge huurprijzen wordt voor steeds meer mensen wonen een onbetaalbare aangelegenheid. Door het ontoereikend sociaal huurwoningbestand - er is nood aan 226.000 bijkomende sociale huurwoningen - moeten kandidaat-sociale huurders al te lang wachten op een sociale huurwoning terwijl ze in het onderste segment van de private huurmarkt te veel huur betalen voor te weinig woonkwaliteit.

Daarom ook onze oproep aan huurders, ook al ondervinden zij geen problemen met hun verhuurder, om zich aan te sluiten bij de huurdersbonden. Want alleen samen staan we sterk. En de weg naar een afdwingbaar recht op wonen voor iedereen is nog lang… 

© Vlaams Overleg Bewonersbelangen | een HolonCom Xtrasite CMS