Het veelkleurige pallet aan woonwinkels in Vlaanderen
In Vlaanderen zijn er een twintigtal initiatieven die werken volgens de principes van het woonwinkelconcept. Ze worden vaak niet als aparte werksoort herkend, want ze dragen allemaal een verschillende naam: woonwinkel, woonwijzer, wooninformatiedienst, wooninfocentrum, woonhoek,… Ook de initiatiefnemers verschillen. De meeste woonwinkels functioneren als dienst van een openbaar bestuur (gemeente of OCMW). Een minderheid zijn particuliere initiatieven opgestart vanuit een lokaal of bovenlokaal samenwerkingsverband.
De openbare werkingen beperken hun werkingsgebied meestal tot het grondgebied van de gemeente. De eerste private initiatieven werken meestal buiten de gemeentegrenzen. Daarnaast worden er via het nieuwe decreet lokaal woonbeleid initiatieven gesubsidieerd die intergemeentelijk werken. De Huisvestingsdienst Regio Izegem is daar een goed voorbeeld van. In Antwerpen en Gent richten de woonwinkels zich telkens tot een welbepaalde buurt.
De woonwinkels en woonwijzers richten zich tot de ganse bevolking van het werkingsgebied, maar besteden prioritair aandacht aan de kansarme bewoners. Afhankelijk van hun ontstaansgeschiedenis werken ze voornamelijk met huurders en/of (kandidaat-)eigenaars. Bovenstaande beeld schetst het veelkleurige palet aan woonwinkels en woonwijzers in Vlaanderen. Maar wat is nu gemeenschappelijk aan deze initiatieven?
In 2004 stelden de woonwinkels een missieverklaring op, waarin ze hun gemeenschappelijke doelstelling naar voor schoven:
“Iedereen heeft recht op menswaardig wonen. Daarom moet iedereen beschikken over een aangepaste woning van goede kwaliteit, in een behoorlijke omgeving en tegen een betaalbare prijs met woonzekerheid. Woonwinkels helpen dit recht te verwezenlijken en hebben twee kernopdrachten:
· mensen ondersteunen zodat ze hun behoefte aan een aangepaste woning realiseren
· het beleid ertoe te bewegen om het woonrecht voor iedereen te verwezenlijken”
Maar wat betekent dit nu concreet?
De klanten van de woonwinkel1
De klanten van de woonwinkel zijn alle bewoners van het werkingsgebied waar de woonwinkel werkzaam is.
· Uitgangspunt is het grondwettelijk recht op wonen. Elke mens moet op één of andere manier kunnen wonen in een betaalbare woning van goede kwaliteit, met voldoende woonzekerheid, en in een goede woonomgeving.
Voor hen die daartoe zelf in staat zijn, volstaat het om hen via een loket te informeren over de beschikbare ‘instrumenten’ (wettelijke bepalingen, eventuele steunmaatregelen, premies, …).
Voor diegenen die om welke reden dan ook dit recht op wonen niet op eigen houtje kunnen realiseren, worden extra ondersteunende initiatieven voorzien, in de vorm van een goede begeleiding of van een specifiek aanbod. We spreken van een ‘prioritaire doelgroep’ van zodra voor het oplossen van een woonvraag geen eenvoudig informatief antwoord volstaat en er minstens 3 contacten noodzakelijk zijn tussen hulpvrager en (woon)begeleider.
· Recht op wonen voor iedereen betekent dat er gezocht wordt naar een goed evenwicht, waarbij alle bevolkingsgroepen voldoende aan hun trekken komen. Dit betekent o.m. oog hebben voor de invalshoek, bekommernissen en belangen van de verschillende betrokken partijen, en dit betekent ook dat uitsluiting van bepaalde bevolkingsgroepen niet kan aanvaard worden.
· De bewoner kan een (toekomstig) eigenaar-bewoner, eigenaar-verhuurder, huurder of thuisloze zijn. De woonwinkel staat open voor al wie in het betrokken werkingsgebied woont of een pand heeft dat in dat werkingsgebied gelegen is.
Kernopdrachten
De woonwinkel heeft een driedubbele opdracht:
1. De woonwinkel verbetert de concrete woonsituatie van de
bewoner(s).
Wonen is meer dan een dak boven het hoofd hebben. Het feit of men al dan niet van ‘menswaardig wonen’ kan spreken wordt bepaald door verschillende factoren waarmee rekening gehouden wordt:
· Woningkwaliteit: De kwaliteitsnormen van de Vlaamse Wooncode staan voorop.
· Woonzekerheid: Een woonperspectief voor een voldoende lange termijn is essentieel. De precieze bepaling van een ‘voldoende lange termijn’ is telkens afhankelijk van de concrete situatie.
· Betaalbaarheid: de woonkosten moeten in een redelijke verhouding staan tot het inkomen van de bewoner (max. 1/3 van het inkomen).
· Wooncultuur: In principe moet elke bewoner zijn eigen invulling kunnen geven aan de manier waarop men wil wonen. Dit aspect moet echter ook in relatie gezien worden tot andere bewoners.
· Woonomgeving: een goede woonsituatie gaat uit van een woonomgeving die het best geschikt is voor de bewoner.
Uitgangspunt is de vraag van de bewoner. Samen met de bewoner in kwestie worden de verschillende aspecten van de woonsituatie in kaart gebracht (voor zover ze in de concrete vraag van toepassing zijn), alsook de samenhang tussen bepaalde aspecten.
Het principe om de bewoner als uitgangspunt te nemen is in bepaalde specifieke gevallen echter ook begrensd. Er moet immers aandacht zijn voor evenwichtige oplossingen die geen overlast of problemen veroorzaken voor anderen.
Vanuit deze uitgangspunten zal de woonwinkel mensen met vragen of moeilijkheden over kwalitatief wonen
· infomeren en adviseren: via een centraal informatieloket waar basisinformatie wordt verstrekt over diverse aspecten i.v.m. wonen. Zo hebben de woonwinkels zich gespecialiseerd in het verstrekken van de informatie rond allerhande premies. Vele woonwinkels stellen ook een databank ter beschikking waar kandidaat-huurders en –eigenaars beschikbare woningen in kunnen vinden. Tenslotte zijn er ook een aantal woonwinkels die zich gespecialiseerd hebben in het verstrekken van technisch advies over de kwaliteit van woningen.
· begeleiden: dit kan zowel kort- als langdurend zijn, afhankelijk van de woonproblematiek die zicht stelt. Op basis van een diagnose wordt samen met de bewoner een handelingsplan afgesproken. Zo hebben een aantal woonwinkels een specifieke dienstverlening op poten gezet waar architecten (ver)bouwers begeleiden bij het indienen van hun bouwaanvraag. Of wordt er samen met een kandidaat-huurder bekeken welke mogelijkheden er zijn in zijn zoektocht naar een nieuwe woning. Op een aantal plaatsen kunnen bewoners zich in de woonwinkel éénmalig kandidaat stellen voor een sociale woning. Door zich bij de woonwinkel in te schrijven, komen ze in één keer op de wachtlijst van de verschillende huisvestingsmaatschappijen die op het grondgebied van de stad of gemeente actief zijn.
· doorverwijzen: voor gespecialiseerd advies of hulpverlening en voor belangenbehartiging. Hiervoor bouwen woonwinkels een goede samenwerking uit met verschillende organisaties en instanties in hun werkingsgebied, zoals OCMW’s, Huurdersbond, de dienst Vergunningen, …
2. De woonwinkel heeft een algemeen sensibiliserende opdracht m.b.t. wonen
Bewoners zijn alert voor informatie en advies m.b.t. wonen op het ogenblik dat ze met een concrete vraag of een specifiek probleem zitten. Op dat ogenblik moeten ze weten waar ze terecht kunnen.
De woonwinkel levert een actieve en creatieve bijdrage om bewoners permanent te sensibiliseren over woonaspecten. De woonwinkel gaat ook voor deze opdracht uit van een pro-actieve benadering, die verder gaat dan de ‘klassieke folder aan de balie’. Voor een deel van de dienstverlening kan bijvoorbeeld een huisbezoek ter plaatse aangewezen zijn. Een architect kan zo bijvoorbeeld beter advies geven rond renovatiewerken of mogelijkheden m.b.t. duurzaam bouwen.
3. De woonwinkel levert een actieve bijdrage voor een beter woonbeleid
De woonwinkelmedewerkers stoten in hun praktijkwerking zeer frequent op knelpunten die bepaalde bevolkingsgroepen verhinderen om hun recht op wonen te kunnen realiseren. De woonwinkel levert een actieve bijdrage om deze knelpunten op termijn te kunnen opvangen via nieuwe beleidsmaatregelen. Dit gebeurt op verschillende manieren:
· door een signaalfunctie waar te nemen en de betrokken beleidsverantwoordelijken te wijzen op structurele drempels. Ze zijn bijvoorbeeld het ideale aanspreekpunt voor de evaluatie van premiestelsels, aangezien ze door hun ervaring hiermee precies weten waar de knelpunten in bepaalde systemen zitten.
· door concrete beleidsvoorstellen te formuleren die een antwoord moeten bieden op bepaalde noden en op die manier aangeven hoe die knelpunten structureel kunnen aangepakt worden
· door zelf te experimenteren met vernieuwende praktijken, die – mits een positieve evaluatie – in een latere fase ingebed kunnen worden in de reguliere werking van een lokaal woonbeleid. Een voorbeeld hiervan is het project preventie uithuiszettingen van de Huisvestingsdienst Regio Izegem. In samenwerking met het vredegerecht experimenteert deze woonwinkel met vroegtijdige begeleiding van huurders.
Een aanbod op maat van de bewoners
De woonwinkel zorgt voor een aanbod t.b.v. de klanten dat voldoende toegankelijk én aantrekkelijk is.
1. Toegankelijk aanbod
· Vlotte bereikbaarheid
De dienstverlening aan de bewoners wordt zo dicht mogelijk bij de woonplaats aangeboden, bij voorkeur dus in de gemeente zelf. Hoe beter de woonwinkel bereikbaar is, des te vlotter men er de weg naar vindt (letterlijk én figuurlijk).
Afhankelijk van de schaal van de gemeente of regio waar de woonwinkel werkzaam is, kan die woonwinkel uitgebouwd worden vanuit een gemeentelijk of intergemeentelijk initiatief. In grote steden (Gent en Antwerpen) wordt de woonwinkel meestal georganiseerd op wijkniveau om de bereikbaarheid te vergroten.
Daarnaast is het ook belangrijk dat de woonwinkel goed zichtbaar is. Daarom hebben een aantal ervoor gekozen om het gemeentehuis of OCMW niet te gebruiken als locatie, maar om elders een ruimte in gebruik te nemen. (bijvoorbeeld de woonwinkel van Lier en St-Niklaas)
· Klantvriendelijke uren
Een goede bereikbaarheid van de woonwinkel betekent dat er klantvriendelijke uren voorzien worden. Daarnaast wordt de mogelijkheid voorzien voor het afleggen van huisbezoeken, al dan niet buiten de kantooruren.
· Toeleiding van prioritaire doelgroepen via vertrouwenspersonen:
Via vaste contacten en overleg met diverse sociale diensten, o.m. sociale diensten van OCMW’s en particuliere welzijnsdiensten, zorgt de woonwinkel voor een netwerk aan contacten dat een goede toeleiding mogelijk maakt van prioritaire doelgroepen.
· Heldere en begrijpelijke taal.
De nodige inspanningen worden geleverd zodat iedereen de bestaande informatie kan begrijpen.
2. Aantrekkelijk aanbod
· Vaste contactpersoon
Elke woonwinkel werkt zoveel mogelijk met een ‘vaste’ contactpersoon die aldus het ‘gezicht’ vormt van de woonwinkel. Dit schept een vertrouwensband voor de bewoners.
· Discrete en vertrouwelijke benadering
Er is aandacht voor een discrete en vertrouwelijke omgeving waar de gesprekken kunnen gevoerd worden.
· Deskundige inzet van medewerkers
Een kwalitatieve dienstverlening gaat uit van een deskundige inzet van medewerkers – van sociale, technische of administratieve aard, naargelang de specifieke vraag
· Preventieve en vroegtijdige aanpak
Er wordt zoveel mogelijk preventief advies gegeven om problemen inzake wonen te vermijden. Daarnaast worden woonproblemen waar mogelijk zo vroeg mogelijk opgespoord. Hoe vroeger bepaalde knelpunten kunnen aangepakt worden, des te beheersbaarder die zijn en dus des te meer kans op een goede oplossing. Zo wordt op een aantal plaatsen nieuwe inwoners van de gemeente systematisch op de hoogte gebracht van het bestaan van bepaalde premies (bijvoorbeeld huursubsidie)
En de toekomst
Huisvesting staat zowel op Vlaams als op lokaal vlak uitdrukkelijk in de kijker. Dat illustreert dat de openbare besturen er zich van bewust zijn dat op dit vlak nog heel wat werk te leveren valt. Het woonwinkelmodel heeft in het verleden zijn bruikbaarheid voor het (lokale) woonbeleid bewezen. Het kan beschouwd worden als "front office" van een geïntegreerd woonbeleid binnen de gemeente of regio.
Sinds 2007 bestaat er een subsidiekader voor projecten lokaal woonbeleid. Hoewel het aanbieden van gestructureerde informatie aan de inwoners van de gemeenten een verplichte activiteit is, liet de Vlaamse Overheid na om het woonwinkelconcept expliciet op te nemen in haar regelgeving. De woonwinkels zien dit als een gemiste kans, aangezien een centrale plaats voor de methodiek van de woonwinkels in de regelgeving, de hele sector een stevige boost had kunnen geven en had kunnen stimuleren tot meer, betere en structureel ondersteunde samenwerking en methodiekontwikkeling. Met het nieuwe subsidiekader zullen er zeker nieuwe projecten opgezet worden. Of die initiatieven altijd aansluiting zullen zoeken bij het woonwinkelconcept is echter verre van zeker.
En hoewel de vraag naar methodiekontwikkeling groot is, is het vooral niet de bedoeling van de sector om tot een eenheidsworst te komen. Afhankelijk van de plaatselijke situatie en aanwezig actoren kunnen de woonwinkels zelf bepalen waarop ze hun aandacht en energie richten: premiebegeleiding, praktische ondersteuning bij renovatie- en verbouwingswerken, vorming voor doe-het-zelvers, ondersteuning van huurders, … Wél willen de woonwinkels deze set 'kwaliteitscriteria' afbakenen waaraan klantgerichte dienstverlening kan afgetoetst worden.
Naast de nood aan verfijning van de methodiek blijft ook de vraag naar een overleg- en ondersteuningsstructuur groot. Het organiseren van uitwisseling kan leiden tot nieuwe methodieken en initiatieven die tegemoet kunnen komen aan concrete noden op het terrein.
Woonwinkels zijn vragende partij om hiervoor een beroep te kunnen doen op het VOB, dat dan wel hiervoor extra (personeels-)middelen ter beschikking zou moeten krijgen.
1 Deze tekst is voor het grootste deel geschreven door Benoit Sintobin voor Ter Zake Cahier van juni 2007. Aanvullingen gebeurden obv de oude voorstellingstekst en de actuele situatie (april 2008)